Naar de beginpagina Korte beschrijving van de cd-rom Help over het gebruik van de cd-rom Handige links Zoeken
 

Home  |  Hoofdstuk 8 |  Het bos  |  Wortel, stam en bladeren 

 

Wortel, stam en bladeren

Bomen zijn ruwweg te verdelen in twee groepen: loofbomen en naald- bomen.
Dat heeft in principe geen gevolgen voor hun bouw, want iedere boom bestaat uit:
– een wortel(stelsel)
– een stam;
– een kroon, gevormd door takken en bladeren.
Ontbreekt de stam, zodat de vertakking direct boven de grond begint, dan spreken we niet van een boom, maar van een struik.

Wortel

Maar laten we de boom en en zijn onderdelen eens nader bekijken.
Het ondergrondse deel - de wortel - heeft een tweeledige functie:

- De eerste wortel die uit een zaad groeit, is meestal een penwortel, die zich diep de grond in werkt en de kiemplant stevig verankert.

- Later vertakt de penwortel zich zijdelings tot een uitgebreid wortelstelsel, waarmee de plant zichzelf in staat stelt om de benodigde hoeveelheid water (met daarin de opgeloste minerale voedingszouten) uit de grond op te nemen.
Een uiterst belangrijke rol bij die wateropname spelen de fijne wortelharen (haarwortels), waarvan de toppen bijzonder gemakkelijk water doorlaten.

Water

Om te illustreren om welke hoeveelheden water het gaat: Een boom met een hoogte van 10 meter (dat is nog maar een kleintje) moet dagelijks zo’n 300 liter water opnemen. Dat is gemiddeld 12,5 liter – een flinke emmer vol – per uur. Het zal dan ook duidelijk zijn, dat het wortelstelsel van een boom bijzonder uitgebreid moet zijn, om zo’n capaciteit te halen.
Van het opgenomen water wordt niet meer dan 1% werkelijk gebruikt. De rest gaat door verdamping – via de bladeren – weer verloren. Hoe de boom het klaarspeelt om het water tot boven in de top te brengen, is voor de wetenschap nog niet helemaal een uitgemaakte zaak.

Stam

De stam van een boom is opgebouwd uit een aantal levende en dode lagen.
De buitenste laag bestaat uit afgestorven en verkurkte cellen. Dat is de schors, die beschermt tegen beschadiging en uitdroging. Bovendien heeft de schors een isolerend vermogen.
De tweede weefsellaag is de bast (niet te verwarren met de schors), die uit levende cellen bestaat en waardoorheen de voedingssappen van boven naar beneden stromen. Het transport vindt plaats via de bastvaten, zo genoemd naar de weefsellaag waarin ze liggen.
De derde laag wordt gevormd door het cambium, dat meestal slechts één cellaag dik is. Het wordt ook wel groeilaag genoemd, vanwege het enorme delingsvermogen.

Het cambium vormt namelijk voortdurend nieuwe cellen. Naar buiten toe worden het bastcellen. Naar binnen toe ontstaan houtcellen, die worden toegevoegd aan de binnenste laag van de stam: het hout. In z’n totaliteit worden meer houtcellen dan bastcellen gevormd, zodat de cambiumring zichzelf steeds verder naar buiten verplaatst. Uiteraard wordt de stam door deze haast ononderbroken celdeling – want alleen in de winter staat de groei stil – steeds dikker.

Doorsnede stam met diverse weefsellagen

In het voorjaar is de diktegroei het grootst. Er worden dan grote houtcellen gevormd met een dunne wand. Ze laten een sterke waterstroom naar boven toe. Dat komt goed uit in een periode waarin een geweldige behoefte aan water bestaat voor het ontluiken van de bladeren.
Omdat de vaatbundels voor de saptoevoer naar de bladeren in de houtlaag liggen, noemen we ze houtvaten. De houtcellen die ‘s zomers tot stand komen, zijn kleiner en hebben een dikkere wand.
In het zaagvlak van een gevelde boom is de jaarlijkse diktegroei fraai te zien.

Misschien kun je bij een houtzagerij wel een plak bemachtigen, om samen met de kinderen te bekijken.
Elke brede, lichtgekleurde ring is het zachte voorjaarshout. Een smalle, donkere ring is in de zomer gegroeid en bestaat uit harder hout. Voorjaarshout en zomerhout vormen samen één jaarring. Aan de hand van deze jaarringen is het mogelijk de leeftijd van een boom te bepalen. De donkere vlek in het midden is de kern van de stam. Deze bestaat uit afgestorven houtcellen.

Bladeren

Takken en bladeren tezamen vormen de kroon van de boom. Wat is gezegd over de stam, geldt ook voor de takken.

 

Maar met de bladeren ligt het wat anders. We kijken eerst even naar het uiterlijk.
Elk blad bestaat uit:
– een bladschijf;
– een bladsteel;
– een bladschede.

De bladschijf is opgebouwd uit een cellaag, aan de onderkant en aan de bovenkant van het blad. Enerzijds dient die cellaag ter bescherming, maar bovendien bevat ze – meestal aan de onderkant – huidmondjes, waardoor het gaswisselingsproces kan plaatsvinden.
De cellaag aan de bovenkant van het blad wordt vaak nog eens extra afgedekt door een beschermend waslaagje.
Tussen onder- en bovenkant zit het bladmoes, met grote bladgroenkorrels. Daarin voltrekt zich de fotosynthese.
In de bladeren zitten ten slotte nog de nerven. Ze zorgen voor stevigheid en er lopen vaatbundels doorheen, die aansluiten op de vaatbundels in de bladsteel, in de stam en in de wortel, zodat de sapstromen tot in de verste uithoeken van het blad kunnen komen.

Onderdelen van een blad

 

Fotosynthese

Nu even terug naar de fotosynthese (foto = licht; synthese = verbinding van afzonderlijke elementen tot een nieuw geheel). Dit proces wordt ook wel aangeduid met de (wat in onbruik geraakte) term koolzuurassimila tie. Het gaat hierbij om de vorming van suikers (koolhydraten), ten behoeve van de eigen energievoorziening van de plant.
De grondstoffen waaruit de suikers worden opgebouwd, zijn koolzuurgas (kooldioxyde) en water, waarbij (zon)licht onontbeerlijk is. Bij dit proces komt zuurstof vrij (als afvalproduct).
Het proces van de fotosynthese speelt zich af in alle groene delen van de plant en de bloedgroenkorrels nemen daarbij een centrale plaats in.
Het zou fijn zijn als de kinderen begrijpen:
– dat planten door het proces van de fotosynthese niet alleen in staat zijn om ‘voor zichzelf te zorgen’ en daardoor kunnen groeien en bloeien;
– maar dat ze bovendien –direct of indirect – voedingsstoffen leveren aan andere levensvormen;
– en dat de groene plant om die reden de basis vormt voor alle leven op aarde.
Je zou ook kunnen zeggen (en dan kijken we even naar het bos als levensgemeenschap): elke voedselketen begint met een plant.

Al is de functie van bladeren in hoofdzaken gelijk, naar de vorm gezien bestaat er een grote variatie.
Willen we bladeren met enig succes rubriceren, dan is er behoefte aan een bepaald systeem.
Meestal worden drie vertrekpunten aangehouden:
– een indeling naar de nervatuur van het blad;
– een indeling naar de rand van het blad;
– een indeling naar de vorm van het blad.
Een combinatie van die drie uitgangspunten biedt redelijke kansen, om de plant – met behulp van determinatiewerkjes – op naam te brengen.

Nervatuur

Kijken we eerst naar het patroon van de nervatuur, dan zijn er drie mogelijkheden:
• Bladeren zijn handnervig: de nerven ontspringen allemaal op één punt aan de voet.
• Bladeren zijn rechtnervig: alle nerven lopen parallel aan elkaar.
• Bladeren zijn veernervig: één hoofdnerf loopt van de voet naar de top, terwijl alle andere nerven opzij daarvan ontspringen.

indeling naar nervatuur

Bladvorm

De bladvorm biedt ten slotte de meeste mogelijkheden tot rubricering. We vinden het echter niet zinvol, om al die verschillende bladvormen hier te bespreken. Het lijkt ons voldoende dat kinderen weten of ze te maken hebben met een enkelvoudig of met een samengesteld blad. Een enkelvoudig blad bestaat uit één enkele bladschijf. Zijn er meer – vaak kleine – bladschijven aan dezelfde steel, dan gaat het om een samengesteld blad.
Het blad van een paardekastanje is bij voorbeeld een samengesteld blad. Bovendien is het handnervig, dus is het handnervig samengesteld. Het blad van een lijsterbes is ook samengesteld, maar veernervig, wat een veernervig samengesteld blad oplevert.

Blad rand

Neem je de bladrand als uitgangspunt, dan ontstaan de volgende mogelijkheden: